vrijdag 28 augustus 2015

Bibliotheekinnovatie: open data in Chattanooga


In de Verenigde Staten groeit de lijst met steden die open data publiceren gestaag. Open data zijn datasets van overheidsinformatie die openbaar gepubliceerd worden door publieke partijen,  om hergebruik door derden mogelijk te maken. Data.gov, de website voor open data van de Amerikaanse overheid, heeft inmiddels meer dan veertig initiatieven van lokale overheden in kaart gebracht. 

Open data in Chattanooga 
In een aantal steden zijn openbare bibliotheken toegetreden tot samenwerkingsverbanden die de open data toegankelijker willen maken voor burgers. Denk daarbij aan websites waar de data worden gestructureerd, voorzien van context en worden opgenomen in bibliotheekcatalogi. Die bibliotheken zien dat als een interessante aanvulling op het bestaande aanbod. Onderzoekers en andere bibliotheekbezoekers hebben zo immers niet alleen direct de beschikking over boeken, tijdschriftartikelen en andere publicaties over lokale onderwerpen, maar ook over de gerelateerde, recente datasets die bij dat thema horen.

Een van die bibliotheken is de openbare bibliotheek van Chattanooga, een stad met iets minder dan 170.000 inwoners, in de staat Tennessee. Die organisatie ontving in het najaar van 2013 een subsidie van 50.000 dollar van de John S. and James L. Knight Foundation om, in samenwerking met de gemeente Chattanooga en de ‘Open Chattanooga Brigade’ –een lokale afdeling van de overkoepelende Code for America Brigade- een Open Data Portaal te bouwen en tegelijkertijd lokale journalisten en ambtenaren te trainen in het gebruik van de beschikbare data. Het belangrijkste doel van het project was om de bevolking van Chattanooga binnen een jaar laagdrempelige toegang te bieden tot de data, die feitelijk eigendom zijn van de gemeenschap als geheel.

Chattadata
De doelstellingen zijn ruimschoots behaald. Ruim anderhalf jaar later is het portaal data.chattlibrary.org uitgegroeid tot een overzichtelijk en fraai vormgegeven platform, dat rijk is aan nuttige lokale informatie. De gemeente heeft een aantal kernthema’s vastgesteld (waaronder veiligheid, onderwijs en economie) waarvan de bijbehorende droge cijfers door de bibliotheek en ‘de brigade’ zijn uitgewerkt tot presentaties die zwaar leunen op het visuele aspect. Als bezoeker ervaar je subsite Chattadata als één grote, interactieve infographic. 

Het portaal biedt echter wel veel meer dan plaatjes alleen. Zo is er een speciale catalogus gebouwd voor alle beschikbare datasets en gerelateerde documenten, die verrassend veel transparantie bieden. Als je bijvoorbeeld kiest voor het thema veiligheid krijg je zonder veel moeite een overzicht van alle verkeersboetes die in een bepaalde periode werden uitgeschreven, inclusief een omschrijving van de aard en de locatie van de overtreding. Als bezoeker kun je echter ook een goed beeld krijgen van het bijbehorende beleid van de gemeente. Als je de statistieken rondom huiselijk geweld bekijkt zie je niet alleen actuele data (tot twee maanden eerder) maar ook wat de doelstellingen van Chattanooga zijn op dat gebied, voor het komende jaar, in hoeverre men op koers ligt om die doelstellingen te behalen, en hoe het budget voor dat beleidsonderdeel daartoe is gespendeerd. Een aantal datasets zijn door de Open Chattanooga Brigade ook nog eens uitgewerkt tot apps of andere toepassingen, zoals in het geval van veiligheid tot chattcrimes.com, een zogenoemde heatmap waarop je precies kunt zien in welke gebieden van de stad de meeste criminaliteit is.

Navolging elders in de VS
Nate Hill, tot begin dit jaar medewerker van de bibliotheek van Chattanooga en een van de aanjagers van het project, beschouwt het portaal als een bewijs dat open data bibliotheken een uitgelezen kans bieden hun rol binnen lokale en regionale gemeenschappen te versterken. Hij vindt dat bibliotheken altijd de grenzen van informatie-uitwisselingen zouden moeten verkennen en dat het logisch is dat juist dat instituut, als ‘de oorspronkelijke curator van publieke informatie’, zich ontfermt over open data. Omdat het dataportaal wordt gevoed met ‘live gegevens’ wordt de bibliotheek automatisch ook getransformeerd, van statische tot realtime informatiebron, zo stelt hij. 

Na een rel over onterechte declaraties is Hill (in 2012 door het toonaangevende Library Journal verkozen tot ‘mover and shaker binnen de bibliotheeksector) vertrokken bij de bibliotheek van Chattanooga en vervolgens in dienst getreden bij het Metropolitan New York Library Council. Vanuit die positie hoopt hij te kunnen bewerkstelligen dat bibliotheken in New York ook projecten zullen starten rondom open overheidsdata. Hij vindt dat er nog te weinig bibliotheken zijn die de mogelijkheden ervan inzien. In New York vindt hij in ieder geval een goede basis in het portaal NYC Open Data, dat al meer dan 1300 datasets ontsluit.

Inmiddels zijn er ook andere bibliotheken aan de slag gegaan met het thema. In februari van dit jaar ontving de gemeente Boston ook een subsidie van de Knight Foundation, voor een project dat vrijwel identiek is aan dat van Chattanooga: From Open Data to Open Knowledge. Het toegekende bedrag bedroeg 475.000 dollar. Binnen het project, dat een doorlooptijd van 20 maanden heeft, zal er in ieder geval ook een catalogus worden gebouwd voor de datasets en zal de bibliotheek onder meer trainingsprogramma’s en evenementen rondom het thema organiseren. Het project in Boston is uiteraard nog niet zo vergevorderd als dat in Chattanooga, maar er is inmiddels een portaal (www.cityofboston.gov/open), de catalogus wordt gebouwd en er zijn nieuwe samenwerkingsverbanden gestart.

Volop kansen
Of veel andere bibliotheken in de VS het voorbeeld van Chattanooga zullen gaan volgen is moeilijk te voorspellen maar zeker is wel dat er voldoende mogelijkheden liggen, ondanks de bezuinigingen waar ook de Amerikaanse bibliotheken onder zuchten. Er komt namelijk steeds meer geld beschikbaar voor steden die open data willen publiceren. Zo stelt de liefdadigheidsstichting van de oud-burgemeester van New York, Bloomberg, maar liefst 42 miljoen dollar beschikbaar voor steden die projectvoorstellen doen rondom open data. Op 4 augustus j.l. werden de namen van 8 winnende steden bekendgemaakt, later volgen er nog meer. Het is aan de bibliotheken zelf om zich te presenteren als de ideale samenwerkingspartner. Je zou denken dat, met de behaalde resultaten in Chattanooga als voorbeeld, ieder gemeentebestuur overtuigd moet kunnen worden van de meerwaarde van de bibliotheek als partner.

Meer lezen/kijken:
@

Dit artikel verscheen ook in IP 6, 2015.

#empty: lege musea als fototrend


Als je intensief het nieuws, de trends en de hypes rondom culturele instellingen op internet volgt kom je soms in de verleiding om te denken dat je alles wel zo’n beetje op het netvlies hebt. Dat je goed geïnformeerd bent. Dat laatste kun je misschien nog zeggen zonder arrogant over te komen, maar dat eerste? Dat is per definitie onmogelijk. Een staaltje zelfoverschatting, niks meer, niks minder.

Neem nu de hashtag #empty, in combinatie met de afkorting van een naam van een museum, zoals #emptyMoMa of #emptyTate. Die zag ik de afgelopen twee jaar dus gewoon niet voorbij komen. Niet op Instagram, niet op Twitter en niet op Facebook. En ik kan je verzekeren: dat komt niet omdat ik die platformen te weinig gebruik. Maar een maand geleden maakte ik via een artikel op Erfgoed 2.0 alsnog kennis met het fenomeen en leerde ik dat de bijbehorende beweging al op gang kwam in 2013, toen Instagrammer Dave Krugman de hashtag #emptyMet muntte, nadat hij en een paar gelijkgestemden van het Metropolitan Museum  of Art in New York toestemming hadden gekregen om na sluitingstijd foto’s te komen nemen in het lege gebouw.

Dat initiatief kreeg in de maanden erna veel navolging, van het Louvre tot ons eigen Rijksmuseum, waar een blog dat ik nog altijd volg, Marketingfacts, in juni een mooi en goedgedeeld artikel aan wijdde. Dat artikel was me dus ook ontgaan, net als het 3000 keer gedeelde artikel over het onderwerp in The Guardian, in januari van dit jaar.

Maar het is nooit te laat. Nu heb ik #empty wel op het netvlies, en mijmer ik meteen over varianten. Geen musea, maar bibliotheken. En dan geen empty maar full. Want zeg nou zelf: #fulloba en #fulldok; dat klinkt toch eigenlijk nog gewoon beter dan dat lege voorbeeld?

Gerelateerd:
Vul het gat: een knap staaltje gebruikersparticipatie
Museumburen: mooie PR van het (Zeeuws) Museum
Klantvriendelijkheid: gebruikers faciliteren, niet belemmeren

@

Deze bijdrage verscheen ook in IP 6, 2015
Foto: Joost lult wel


maandag 24 augustus 2015

Leestip: de creatieve apocalyps die nooit kwam


Artikelen of boeken van Steven Johnson zijn eigenlijk altijd wel aan te bevelen, maar als deze man zijn visie deelt over de creatieve industrie in relatie tot moderne mediaconsumptie, roep ik soms al dat zijn stuk nuttig leesvoer is voordat ik het zelf heb gelezen. Het artikel The Creative Apocalypse That Wasn’t, dat Johnson schreef voor New York Times magazine, heb ik wél al gelezen en geloof het maar gewoon: het is een aanrader.

Waarom stortte de entertainmentindustrie niet in, na de digitalisering van het aanbod, en de piraterij die daarmee gepaard ging? Wat deed die digitalisering met de creativiteit? Zijn de films uit Hollywood beter geworden of juist slechter? Hebben muzikanten minder kans om zich te onderscheiden van de concurrentie, nu die zo enorm groot is geworden? Waarom wordt het verdwijnen van muziekdragers wel gecompenseerd met inkomsten uit concerten en wat dies meer zij, maar werkt dat met boeken weer heel anders?
If you believe the data, then one question remains. Why have the more pessimistic predictions not come to pass? One incontrovertible reason is that — contrary to the justifiable fears of a decade ago — people will still pay for creative works. The Napsterization of culture turned out to be less of a threat to prices than it initially appeared. Consumers spend less for recorded music, but more for live. Most American households pay for television content, a revenue stream that for all practical purposes didn’t exist 40 years ago. Average movie-­ticket prices continue to rise. For interesting reasons, book piracy hasn’t taken off the way it did with music. And a whole new creative industry — video games — has arisen to become as lucrative as Hollywood. American households in 2013 spent 4.9 percent of their income on entertainment, the exact same percentage they spent in 2000. 
At the same time, there are now more ways to buy creative work, thanks to the proliferation of content-­delivery platforms. Practically every device consumers own is tempting them at all hours with new films or songs or shows to purchase. Virtually no one bought anything on their computer just 20 years ago; the idea of using a phone to buy and read a 700-page book about a blind girl in occupied France would have sounded like a joke even 10 years ago. But today, our phones sell us every form of media imaginable; our TVs charge us for video-­on-­demand products; our car stereos urge us to sign up for SiriusXM.
Gerelateerd:
De toekomst van lezen in het tijdperk van overvloed (2012)
Het einde van collector's items en andere zeldzame zaken (2011)
Bibliothecarissen: de originele piraten (2010)
De toekomst is aan toegang (2009)
Zoeken naar emergentie in het bibliotheekwerk (2007)
Veranderend publiek deel X: Jenny Levine's Gaming in Libraries (2007)

@

zondag 9 augustus 2015

Gespeeld: Bloodborne & The Last of Us


Toen ik een maand geleden schreef dat ik geen spijt had van de 150 uur die ik in The Witcher 3 had gestoken meende ik dat oprecht, maar tegelijkertijd hoopte ik wel een beetje dat het volgende spel iets minder intensief zou zijn. Dat bleek zo te zijn. Ik koos ervoor om eerst de geremasterde versie van een game uit 2013 te spelen: The Last of Us. Daar was ik na vijf avonden klaar mee. Een prachtige game, met een lekker apocalyptisch sfeertje, maar ik vond het als geheel minder indrukwekkend dan ik had verwacht. Dat had alles te maken met het lineaire karakter van het spel. In The Last of Us heb je nauwelijks vrijheid; je volgt grotendeels een uitgezet parcours, waarbij de 'raadsels' die je onderweg tegenkomt steeds op dezelfde manier moet oplossen. Dan wordt het al snel voorspelbaar en dus ook een beetje saai. De sfeer maakte dat weer goed, maar voor mij voelde het toch een beetje als een actiefilm met niet al te veel diepgang. Het keek en speelde lekker weg, maar dat was het dan ook wel.

Ik kocht de PS4 in een bundel met drie games en begon vervolgens aan Bloodborne. Dat bleek weer heel andere koek. Toen ik eenmaal was begonnen leerde ik al snel dat het spel is gemaakt door de lui die ook verantwoordelijk zijn voor de serie Dark Souls. Op de Xbox heb ik deel 2 van die serie menigmaal vervloekt. Ik was echt uren bezig met het leren van de vaardigheden die noodzakelijk zijn om te overleven in het spel. Dat liep met Bloodborne niet veel anders. Het mooie is dan dat je constant zit te tieren op jezelf en niet op het spel. Je weet namelijk dat je wel zult slagen als je geduld uitoefent en alle vijanden omzichtig benadert, tot het moment dat je genoeg skills, wapens en kracht hebt om het wat onbesuisder te doen. Het komt erop neer dat je levels/subwerelden pas op je gemakje kunt spelen als je binnen het gehele spel al twee of drie werelden verder bent. Daar moet je wel tegen kunnen, of zin in hebben. Ik had dat, deze keer. Ik besloot het nu anders te doen dan eerder met Dark Souls en zag m'n inspanningen beloond met een geweldige en uitdagende game waarin ik steeds nét op tijd een paar stappen verder kwam. Alles volgens het aloude adagium 'frustratie is de motivatie'.

Het verhaal had verder niet veel om het lijf overigens. Het kwaad bestrijden, je kent dat wel. Er waren nog een paar andere minpuntjes bovendien. Het wordt bijvoorbeeld nooit eens lekker licht in het spel, daar ben ik doorgaans niet zo van gecharmeerd. Maar wat zou het? Ik heb me hier prima mee vermaakt en vond het prachtig om te zien hoe ingenieus alle werelden uiteindelijk met elkaar verbonden blijken te zijn, precies zoals dat wordt omschreven in de reviews op PU en op Tweakers. Qua spelduur zat ik op ongeveer de helft van The Witcher, waarbij ik moet aantekenen dat ik een aantal optionele -en lastige- eindbazen heb gelaten voor wat ze zijn, wat ook geldt voor de vele uitgestrekte kerkers die je zelf kunt genereren. Als de wereld eenmaal is gered geloof ik het meestal wel. De plusvariant kan ik altijd nog eens doen, als ik me ooit nog eens ga vervelen. Maar samengevat kan ik wel stellen dat ik Bloodborne beschouw als een game die ertoe doet. De moeite waard....als je ervan houdt dan toch :-)

Op naar de derde en laatste game uit de bundel: The Order 1886. Dat schijnt weer zo'n korte te zijn. Vooruit maar.

@

Digital Bodleian: een beeldbank om te zoenen


Eerlijk gezegd wist ik helemaal niets over de Bodleian Library. Ik citeer schaamteloos van Wikipedia:
De Bodleian Library, ook wel kortweg de 'Bodley' of de 'Bod' genoemd, is de oudste openbare bibliotheek van Europa. Het is de voornaamste onderzoeksbibliotheek verbonden aan de Universiteit van Oxford, Engeland. In Engeland is het de op een na grootste bibliotheek, na de British Library. De Bodleian Library is een van de zes bibliotheken die depotplicht kennen voor alle werken gepubliceerd in het Verenigd Koninkrijk [...]
Nou, en deze bibliotheek heeft vorige maand dus Digital Bodleian gelanceerd, een beeldbank die nu al meer dan 100.000 afbeeldingen bevat en de komende jaren verder zal worden uitgebreid. De afbeeldingen zijn de afgelopen twintig jaar gedigitaliseerd en waren eerder al toegankelijk voor pashouders van de bibliotheek, maar vanaf nu dus voor iedereen. Liefhebbers kunnen afbeeldingen desgewenst ook downloaden en hergebruiken.

Deze beeldbank is een attendering meer dan waard. Bij mij hapert de interface weliswaar zo nu en dan (in Google Chrome) maar de website ziet er fantastisch uit en nog belangrijker: de inhoud is fantastisch. Zelden zag ik zo veel fraaie, kleurrijke oude prenten in één verzameling. Alleen al om die reden kun je er met gerust hart een paar uur voor uittrekken. Vanuit het perspectief van het vakgebied kan ik alleen maar zeggen: dit is nu zo'n bron waar je als bibliotheek, archief of museum mee voor de dag kunt komen. Dan heb je die enge robotachtige marketingteams niet eens meer nodig.

@

maandag 20 juli 2015

Doctor Ferleman's Travels: een prachtproject


Dat ik JM H. van Haart nooit leerde kennen in de tijd dat ik nog voor de Zeeuwse Bibliotheek werkte is wonderlijk. Ook in die tijd was JM daar namelijk al kind aan huis, zoals hij dat ook al jaren is bij het Zeeuws Archief (en bij andere bibliotheken en archieven, niet te vergeten). Maar we liepen elkaar mis, zo simpel is het gewoon. Sinds ik bezig ben met Middelburg Dronk kruist JM echter regelmatig mijn pad. JM is iemand waar ik in korte tijd veel respect voor heb gekregen. 

Ik ken maar weinig mensen die -op vrijwillige basis- zo soepeltjes en tegelijkertijd zo grondig de lokale en regionale geschiedenis onderzoeken als hij. De resultaten werkt hij dan ook nog eens zeer nauwgezet uit. Ik vraag hem regelmatig om achtergrondinformatie over Middelburgse ondernemers uit de 18e en 19e eeuw, omdat ik weet dat hij al enorm veel heeft uitgezocht. Sterker nog: hij heeft zelfs een database in MS-DOS, die tienduizenden records bevat over die mensen en hun geschiedenis. Dat ik dat zeer interessant vind zal niemand verbazen. Het levert buitengewoon interessante aanvullingen op, zoals bijvoorbeeld feiten over een oude weduwe die ook in de Middelburgse horeca zat. Dat werkt hij dan uit in prachtige PDF's. Ik zeg dan gekscherend: "je werkt als een pro!" Om vervolgens te beseffen dat hij dat ook gewoon is. JM is schrijver en onderzoeker, niks meer, niks minder.

Dat blijkt ook uit een recent project van hem. Sinds een paar weken heeft hij de website Doctor Ferleman's Travels online staan, waarop hij in de huid kruipt van de jonge arts Ferleman, tijdens diens reis van Middelburg naar Batavia, in de periode 1840-1841. Op The Blue Dot legt van Haart uit hoe en waarom hij aan dat project is begonnen. Voor de wat visueler ingestelde mensen heeft hij ook een fraaie trailer gemaakt.

Ik volg dit reisverslag met veel plezier. Iedere keer als ik zo'n mooie uitwerking aantref onder een link moet ik glimlachen. Of het nu gaat om een voertuig of een persoon: JM H. van Haart maakt er werk van. Dat is geweldig. En dan dat inkijkje in het alledaagse leven aan boord van zo'n schip in die tijd. Dat is gewoon leuk en interessant.
A sloop went ashore quite late, for the last provisions. And the men were singing a light-hearted song along the lines of ‘Adieu now Middelburg, adieu farewell…’ I hastened myself on finishing the letter to my mother, which I shall hand to the Pilot when he leaves us in the North Sea.
Een project om te volgen en te koesteren, mensen!

Gerelateerd:

@