woensdag 1 juli 2015

Wat kost dat nou, zo'n interim bestuurder van een bibliotheek?


Ik heb al vaak geroeptoeterd dat er meer transparantie zou moeten zijn over de manier waarop geld wordt uitgegeven door publieke organisaties. Dan moet je ook zo eerlijk zijn om erop te wijzen als die transparantie wordt geboden.

Neem nu dat gekke verhaal van twee weken geleden, waaruit zou blijken dat de Zeeuwse Bibliotheek in Middelburg 'opeens' een schuld van vijf miljoen bleek te hebben. Dat was natuurlijk onzin. Dat bedrag was al veel langer bekend. Gelukkig constateerde Omroep Zeeland dat ook. Die schuld was gewoon terug te vinden in de jaarstukken.

Gisteren bekeek ik de jaarstukken over 2013 zelf ook alsnog, en zag het bewuste bedrag inderdaad staan. Maar niet alleen dat. Ook de vergoedingen voor de interim bestuurders en leden van de Raad van Toezicht staan keurig vermeld, terwijl ik dacht dat die uitgaven altijd aan het zicht onttrokken werden door ze op te nemen in algemene posten. Niet dus (klik om te vergroten):



Zo gek als bij de Haagse Hogeschool was het dus niet, maar de Grote Ontstopper toucheerde de anderhalf jaar dat hij bij de ZB zat toch maar mooi 15K per maand. Dat ligt weliswaar onder de wettelijke norm, maar bij zulke bedragen vraag je je toch af: was zo'n man het ook waard? Daar valt geen zinnig antwoord op te geven, althans niet door mij. Ik weet alleen iets van de dingen die hij niet heeft gedaan, en dan ook nog maar een klein beetje.

Ook interessant vond ik de passages in het jaarstuk met daarin een woord dat ik even op moest zoeken, over de 'Dotatie voorziening non activiteit'. Een dotatie is net zoiets als een donatie, maar dan als schenking volgens een bepaalde procedure.


Een afdelingshoofd krijgt als afkoopsom dus 70 procent van de loonsom tot aan de pensioengerechtigde leeftijd en dat is dan goed voor 491.000 euro. Kijk, dan weet je tenminste een beetje wat er zoal speelde, op de achtergrond. Dat is buitengewoon leerzaam.

Ik ben benieuwd naar het verslag over 2014.

Gerelateerd:
Over de bezuinigingen op de Zeeuwse Bibliotheek
Ondertussen in Middelburg: bibliotheekvernieuwing als kind van de rekening
De ontwikkelingen bij de Zeeuwse Bibliotheek: oud-directeur a.i. Egas Repáraz spreekt

@

vrijdag 26 juni 2015

Kroegpraat: het begin van een rubriek in de Middelburgse & Veerse Bode


Een paar weken geleden werd de PZC-rubriek 'Barcodes' plotseling gestaakt. Over het hoe en waarom schreef ik op 13 juni in Barcodes: het einde van een PZC-rubriek. We konden weinig anders dan het accepteren, maar jammer vonden we het. Op Twitter dolden Flip en Rob wat, over de mogelijkheid dat de redactie van de Middelburgse & Veerse Bode misschien oren zou hebben naar een wekelijkse, Walcherse horecacolumn. Dat bleek nog zo te zijn ook. Een paar dagen later voerden we een prettig gesprek met redacteur Eugène de Kok, die ons liet weten dat we van harte welkom waren als gastschrijvers. Daardoor voelde het vertrek opeens als een transfer.

In de kern verandert er niet zo gek veel aan dat wat we al deden, maar er zijn wel een paar verschillen. De Bode heeft andere doelstellingen dan de PZC. Om een voorbeeld te geven: bij de PZC werd ooit aangegeven dat het op prijs werd gesteld als we zo nu en dan ook zouden schrijven over de actualiteit, bijvoorbeeld de opening van een nieuwe zaak. Bij de Bode zijn zulke bijdragen ook welkom, maar de voorkeur gaat uit naar historische verhalen. Aan een opening kunnen ondernemers immers ook een advertentie wijden. Advertenties zijn de voornaamste bron van inkomsten van het weekblad.

De Bode heeft ook een heel andere organisatiestructuur dan de PZC, namelijk een platte. Er zijn twee directeuren, waar alle redacteuren onder vallen. Er zijn geen hoofd- of eindredacteurs. Dat werk doen de redacteuren allemaal zelf. Het kan niet anders dan dat zorgt voor korte lijntjes in de communicatie en in de manier van werken. Ook de oplages verschillen. Die van PZC editie Walcheren is iets hoger dan 17.000, die van de Middelburgse en Veerse Bode iets hoger dan 32.000. Het potentiële bereik neemt dus toe, ook al is het zo dat het dagblad over het algemeen zal worden afgenomen door abonnees en mensen die de krant gericht kopen, en het weekblad ook bij mensen die de krant niet lezen op de deurmat valt.

Nog een verschil is dat we de column niet per se om en om zullen gaan schrijven. Rob zal vaker gaan schrijven dan ik. Ik lever af en toe een stuk aan bij Rob, terwijl hij ervoor zal zorgen dat de Bode wekelijks een column zal plaatsen. Eugène had geen enkel probleem met die manier van werken.

We zijn, kortom, weer terug zonder echt weggeweest te zijn. Barcodes is dood. Leve Kroegpraat!

@

Foto Bode 23 juni: Leonard Passchier

maandag 22 juni 2015

Fijn, het ging weer eens over de inhoud van het vak


Het lukt steeds beter om afstand te nemen van ontwikkelingen in bibliotheekland die ik betreur, maar ik ben er te lang en te intensief mee bezig geweest om het hélemaal los te laten. Dat lukt gewoon niet. Zo las ik van de week toch weer even mee met de online discussies over het stuk 'Malle motie', van Wim Keizer. Dat is iets over een Nationale Bibliotheekpas, over de bibliotheekwet en over geregeerd worden door angst, dan wel geleid worden door politiek en het subsidie-infuus.

Het is allemaal heel begrijpelijk, dat dingen gaan zoals ze gaan, maar ik krijg er nog altijd een wrange smaak van in de mond. En nog gekker: om een of andere reden trek ik steeds vaker parallellen met allerlei ICT-wantoestanden op nationaal niveau. Dat kan en mag ongetwijfeld niet, maar het gebeurt me. Punt. Ik denk dat het heeft te maken met het feit dat bibliotheken zich in mijn ogen te veel mee laten voeren met landelijke projecten. Hoe ik daar over denk omschreef ik al eens in Digitale bibliotheekvernieuwing: beter ga je het zelf doen.

Vanochtend werd ik ook geattendeerd op een schrijven van Kees Bos, over zijn gevoel bij zijn geliefde bibliotheek in Middelburg. Dat laat me dan ook minstens een uur niet los. Dan moet ik weer even denken aan een oud-collega die me vorige week berichten stuurde over haar blijdschap van die dag. Ze was eindelijk weer eens een keer met de inhoud van het vak bezig geweest. Dat is tegenwoordig al iets bijzonders, blijkbaar. Hoe veelzeggend wil je het hebben?

Maar afstand nemen dus. Dat doe ik door er even over te schrijven. Het is niet eens meer bedoeld als klagen of kritiek. Je verandert toch geen moer aan de status quo. Er even over schrijven is niets meer dan een ouderwets bloggerstrucje. Dan is het weg, en kun je weer verder met leuke dingen.

Oh wacht, om het af te leren en ter afsluiting dan nog een verwijzing naar een leuk boekje uit 1899, dat in m'n feeds van Gutenberg.org voorbij kwam vanochtend. A Library Primer, van John Cotton Dana. Het is grappig om te lezen dat de kern van het ideaal ook toen al stond als een huis. Dat lees je mooi terug in de hoofdstukken What does a public library do for a community? en Suggestions as to general policy of the library. Uit die laatste:
In general, remember always 1) that the public owns its public library, and 2) that no useless lumber is more useless than unused books. People will use a library, not because, in others' opinions, they ought to, but because they like to. See to it, then, that the new library is such as its owner, the public, likes; and the only test of this liking is use. Open wide the doors. Let regulations be few and never obtrusive. Trust American genius for self-control. Remember the deference for the rights of others with which you and your fellows conduct yourselves in your own homes, at public tables, at general gatherings. Give the people at least such liberty with their own collection of books as the bookseller gives them with his. Let the shelves be open, and the public admitted to them, and let the open shelves strike the keynote of the whole administration. The whole library should be permeated with a cheerful and accommodating atmosphere. Lay this down as the first rule of library management; and for the second, let it be said that librarian and assistants are to treat boy and girl, man and woman, ignorant and learned, courteous and rude, with uniform good-temper without condescension; never pertly.
en:
Finally, bear in mind these two doctrines, tempering the one with the other: 1) that the public library is a great educational and moral power, to be wielded with a full sense of its great responsibilities, and of the corresponding danger of their neglect or perversion; 2) that the public library is not a business office, though it should be most business-like in every detail of its management; but is a center of public happiness first, of public education next.
Oh ja, da's waar ook: de inhoud van het vak. Oh ja, bijna vergeten: de klant.

@

Foto: Kees Bos

dinsdag 16 juni 2015

Open bibliotheken bestaan dus toch: de Chattanooga Public Library


Het was toch bijna tien jaar een mooie droom van me: die waarlijk open bibliotheek, die contextualisering net zo makkelijk koppelt aan lokale verhalen als aan overheidsinformatie. De bibliotheek die de belichaming is van de vrije geest van het oorspronkelijke web, dat nog niet geheel verziekt was door het grote geld. De bieb waarin de creatieve geesten en makers alle ruimte krijgen om verbindingen te leggen met de gemeenschap waar het allemaal om draait. Er zijn veelbelovende glimpen hoor, daar niet van, maar over het algemeen kan ik toch wel stellen dat ik nog maar zelden m'n oude vuurtje zie oplaaien, als ik lees over vernieuwende initiatieven. Er zijn maar een paar plekken waar het meer is dan slechts een deelproject. De accenten liggen toch vaak op andere zaken, die ik nu eenmaal minder spannend vind.

Maar dan lees ik opeens Data Reinvents Libraries for the 21st Century. Aanvankelijk denk ik dan: "oh, alweer zo'n artikel dat stelt dat bibliotheken meer zijn dan boeken alleen". Maar dan lees ik de passage over de Chattanooga Public Library:
The library boasts an open data portal that it manages for the city, a civic hacker lab, a makerspace for community projects, and expanded access to in-person and online tutorials for coding and other digital skill sets. It’s a goal he accomplished with the help of the city, the civic tech group Open Chattanooga, and philanthropies like the Benwood and the John S. and James L. Knight foundations.
En dan klik ik even door. Naar de site van de bieb, en naar het bewuste portaal. En dan zie ik eigenlijk opeens alles dat ik altijd voor ogen had. Zelfs die lokale verhalen.

Het kan. Het bestaat. Prachtig!

@

Fast Laning: je klanten nooit meer in de rij


Veel mensen hebben een hekel aan wachten. In de file staan, achteraan moeten sluiten bij een lange rij voor de kassa in een supermarkt: het voelt als tijdverspilling. De afkeer is zelfs zo groot dat de media er regelmatig op inspelen. Impressies van lange rijen (vrijwillig) wachtende mensen halen regelmatig het nieuws. Denk aan de beelden van slierten mensen die al dagen van tevoren bij een winkel staan te wachten om het nieuwste model smartphone als eerste te kunnen bemachtigen, of aan het succes van de recente tentoonstelling ‘De late Rembrandt’ in het Rijksmuseum. Het NOS-journaal belichtte dat succes en ging daarbij vooral in op de ergernis van veel bezoekers over de drukte. Men klaagde steen en been over de wachttijden.

Bedrijven en culturele organisaties werken al jaren aan systemen die vaste klanten of gebruikers van apps in staat stellen wachtrijen te omzeilen door een extra bedrag te betalen. Dat omzeilen wordt vaak aangeduid als ‘fast laning’. Bij pretpark Walibi kun je sinds 2012, via je mobieltje, digitale tickets reserveren voor versnelde toegang tot 8 attracties, steeds meer fastfoodketens laten klanten maaltijden vooraf digitaal bestellen en bij de eerder genoemde tentoonstelling in het Rijksmuseum kwam je sneller binnen op vertoon van je vriendenpas.

Nieuw is het verschijnsel Fast Laning dus zeker niet, maar sites als Trendwatching.com namen de term desondanks op in de trendlijsten voor 2015. De reden daarvoor is dat er nu pas talloze apps worden gelanceerd die onnodige wachten aanpakken. Het aanbod varieert van apps van de bedrijven zelf, zoals de nieuwe app van Starbucks, tot toepassingen die door derden worden ontwikkeld, zoals Qless, Qriffic en Postmates.com. De ene app dient voor ‘rijmanagement’, de ander als een systeem dat het doen van boodschappen volledig uitbesteedt.

(Culturele) organisaties die regelmatig te maken hebben met wachtend publiek doen er goed aan zich in Fast Laning te verdiepen. Door erop in te zetten haal je zonder veel moeite een ergernis weg bij een deel van je doelgroep.

@

Deze bijdrage verscheen eerder in IP 5, 2015.
Foto: Alexandre Duret-Lutz op Flickr.

zaterdag 13 juni 2015

Barcodes: het einde van een PZC-rubriek


Makker Rob las het in de krant, ik vernam het via hem op Twitter: op 20 mei stond onder onze column in de PZC opeens het zinnetje "Dit was de laatste aflevering van deze rubriek". We wisten niet wat we lazen. We hadden dat besluit niet zien aankomen, om de doodeenvoudige reden dat niemand van de redactie de moeite had genomen er met ons over te communiceren. Dat vonden we natuurlijk best raar, maar een paar uur later leerden we echter alsnog hoe de vork in de steel zat.

Op onze tweets werd gereageerd met een mailtje, met daarin het verzoek om even te bellen. In het gesprekje dat zou volgen bood een recent aangestelde regiomanager van de krant excuses aan namens de krant. Hij legde uit dat het besluit was voortgekomen uit de overname van de regionale dag- en weekbladen van Wegener door de Persgroep, een uitgever met plannen. Plannen waar de rubriek Barcodes niet meer in zou passen. Dat wij over die plannen niet waren geïnformeerd berustte volgens de manager op een misverstand. Dat was misgegaan bij de interne reorganisatie. Blijkbaar hadden niet alle medewerkers hun werk even zorgvuldig overgedragen.

Slordig, maar zoiets kan natuurlijk gebeuren. Daar moet je niet te zwaar aan tillen. Toen ik er dag later over nadacht (daar had ik in het vliegtuig naar Italië alle tijd voor) besloot ik het maar gewoon te beschouwen als typisch. Typisch voor onze verstandhouding met de krant.We begonnen de rubriek eind 2013, als onderdeel van een afspraak over het hergebruik van oude krantenknipsels op Middelburg Dronk c.s. We schreven dus onbezoldigd, maar we moeten wel zo eerlijk zijn om te zeggen dat we dat niet zo erg vonden. Het was eigenlijk best mooi, dat we een een wekelijks podium kregen in de krant. We kregen er in de loop van de tijd veel positieve reacties op, vooral ook van mensen die wat minder op hebben met platformen als Facebook. We bereikten met de column blijkbaar een nieuw publiek. Ik grapte regelmatig dat "mijn moeder nu eindelijk ook eens kon zien wat ik zoal doe, ook al is dat dan niet meteen voor de kost". Onlangs hoorden we zelfs dat de column ergens in een dorp wekelijks wordt voorgelezen, terwijl er bijbehorende dia's worden vertoond. Of dat waar is weet ik niet, maar het idee deed me wel glimlachen.

Voor de rest viel het wel een beetje tegen, dat schrijven voor de krant. Op voorhand hoopte ik er ook nog iets van te zullen gaan leren (ik ben tenslotte maar een amateur) maar in die anderhalf jaar kregen we nauwelijks inhoudelijke feedback. Er was een keer een dialoog over een stuk van Rob dat iets te politiek geladen zou zijn en ik herinner me een mailwisseling over een correctie van een stuk tekst die de tekst er niet beter op had gemaakt. Dat was het ongeveer wel. Toen we begonnen maakten we de afspraak dat we na een paar maanden zouden evalueren en een soort contract zouden opstellen. Daar hebben we nooit meer iets van gehoord. Of onze stukjes wel of niet werden gewaardeerd op de redactie weten we ook niet. Blijkbaar toch wat minder, want nu 'de vernieuwde PZC zonder nietjes' een feit is, blijken er minder rubrieken te zijn gesneuveld dan ik had opgemaakt uit het telefoongesprek. Dat heb ik dan vast niet goed begrepen. Misschien hadden we onze conclusies al moeten trekken toen bleek dat onze rubriek nooit digitaal werd benut door de PZC. Ook dat werd op zeker moment toegezegd, maar nooit uitgevoerd. Dat kun je toch onmogelijk schuiven op de technische beperkingen van een Content Management Systeem.

Samengevat: we kijken wat gelaten terug op de periode december 2013-mei 2015. Het is jammer dat de rubriek is gesneuveld, maar voor mij persoonlijk geldt dat ik het niet zo erg vind dat de tweewekelijkse deadline is komen te vervallen. Ik schrijf toch het liefst zonder tijdsdruk, tenzij er een financiële vergoeding tegenover staat.

Maar even los van onze verstandhouding met de krant en de vraag of onze schrijfkwaliteiten voldoende zijn voor zo'n rubriek, blijf ik zitten met gemengde gevoelens over de manier waarop men bij de krant omgaat met internet als platform. Ik heb in de afgelopen jaren een zwak ontwikkeld voor de lokale en regionale journalisten die wél uit de ivoren toren zijn gekomen, door zich gewoon onder de mensen online te begeven. Die gevraagd en ongevraagd reageren op Twitter, Facebook en wat dies meer zij. Die ook wel eens nieuws en informatie van vermeende concurrenten durven te delen. Die wel publiekelijk 'durven te vragen' en te reageren. Zulke journalisten zijn in mijn ogen de journalisten die deze tijd nodig heeft. Gelukkig zijn er, zowel bij de krant als de regionale omroep, daar ook een aantal van. Maar het zijn er zo weinig dat ik hun namen niet eens hoef te noemen.

Wat dat te maken heeft met de rubriek Barcodes? In mijn ogen heel veel. Online succes hangt nauw samen met je rol in online gemeenschappen. En juist dat aspect is nauwelijks aan de orde geweest binnen de samenwerking, de afgelopen 18 maanden. Een gemiste kans, vind ik.


Gerelateerd:
Het einde van oude krantenknipsels op Middelburg Dronk...met dank aan Wegener
Barcodes: een wekelijkse rubriek in de PZC over de horeca van Walcheren
Over een Wiki als verlengstuk van een Krantenbank
Digital First: de website van de PZC nu en straks
De parallellen tussen de journalistiek en bibliotheken: een interview met Henk Blanken

@